Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 januari 2017.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor gewoontewitwassen van goud en sieraden ter waarde van circa €50.000 over meerdere jaren.
Het hof baseerde zijn oordeel op vermoedens van witwassen en de onvoldoende aannemelijkheid van de verklaring van verdachte over de herkomst van de goederen, ondanks dat verdachte een uitgebreide handel via Marktplaats en Antwerpen had toegelicht. De verdediging verzocht om aanvullend onderzoek naar de Marktplaatsgegevens, maar het hof wees dit verzoek af met het oordeel dat de noodzaak daarvoor niet was aangetoond.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde bij het verwerpen van het verzoek tot aanvullend onderzoek en onvoldoende rekening hield met het feit dat de onderzoeksresultaten onvolledig waren. Desondanks verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De veroordeling van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling voor gewoontewitwassen blijft in stand.