Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het voorhanden hebben van wapens en munitie in een woning. De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte een onjuiste uitleg gaf aan het begrip 'voorhanden hebben' zoals bedoeld in artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM).
Het hof baseerde zijn oordeel op drie omstandigheden: de nabijheid van de wapens bij de verdachte, de beschikkingsmacht over de wapens en het bewustzijn van de verdachte over de wapens. Uit het bewijs volgde dat de wapens zich niet in de nabijheid van de verdachte bevonden en dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor beschikkingsmacht, ondanks dat de verdachte zich bewust was van de wapens en samen met zijn broer de wapens had verstopt in de woning.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. De schriftuur van de verdediging is aan het arrest gehecht en maakt er deel van uit.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of onvoldoende gronden.