Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
21 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo. Het hof had vastgesteld dat betrokkene voordeel had behaald uit drie oogsten, waaronder een oogst begin april 2008 en een in januari 2009. Betrokkene voerde in hoger beroep aan dat er slechts twee oogsten waren geweest, en betwistte daarmee de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van betrokkenen, waaronder de persoon die zijn woning ter beschikking stelde voor de kwekerij, en op diverse proces-verbalen van verhoor en bewijsstukken. Het hof concludeerde dat de kwekerij in mei 2008 voor de tweede keer was ingericht, wat leidde tot een tweede oogst in de periode januari tot augustus 2008. Dit oordeel werd niet bestreden in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn schattingsbeslissing voldoende heeft gemotiveerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van het verweer van betrokkene. Het cassatieberoep faalt daarom en wordt verworpen. De zaak wordt niet inhoudelijk herzien, en de eerdere uitspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drie oogsten hennep.