Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
21 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor diefstal met braak van etenswaren en twee flesjes bier uit een schuurtje te Eindhoven op 31 december 2012. Tijdens de inbraak werden een kniptang en een broodmes in beslag genomen die aan de verdachte toebehoorden. Het hof verklaarde deze voorwerpen verbeurd omdat zij gebruikt zouden zijn bij het plegen en voorbereiden van het delict.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende en onbegrijpelijk had gemotiveerd waarom de kniptang en het broodmes als instrumenten van het delict konden worden aangemerkt, gelet op de bewezenverklaring en het bewijsmateriaal. Daarom vernietigde de Hoge Raad dit onderdeel van het arrest en beval de teruggave van de voorwerpen aan de verdachte.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatiefase was overschreden, wat een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met twee maanden rechtvaardigde. De Hoge Raad vernietigde daarom ook het deel van het arrest betreffende de strafoplegging en bepaalde dat de straf met een maand en drie weken werd verminderd.
Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 21 maart 2017.
Uitkomst: Verbeurdverklaring kniptang en broodmes vernietigd en gevangenisstraf met twee maanden verminderd.