Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel
3.Beoordeling van het zesde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen, waaronder klachten over bewijs- en strafmotivering, maar wees deze af omdat zij niet tot cassatie konden leiden.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een gegrond middel en tot vermindering van de opgelegde straf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot een jaar en elf maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen en bleef het arrest in stand.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 14 maart 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot een jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.