ECLI:NL:HR:2017:381

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
15/03319
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14b SrArt. 14c SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correctie proeftijd bij veroordeling voor grootschalige oplichting en medeplegen

De verdachte werd door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, oplichting, witwassen en verduistering in dienstbetrekking, gepleegd in de periode van 1 december 2010 tot en met 3 augustus 2011. Het hof legde een gevangenisstraf van achttien maanden op, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren had vastgesteld, omdat op grond van het op dat moment geldende art. 14b, tweede lid (oud) Sr in verbinding met art. 14c, eerste lid (oud) Sr de proeftijd ten hoogste twee jaren kon bedragen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de proeftijd betrof en stelde deze vast op twee jaren.

Voor het overige verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte. De uitspraak werd gedaan op 7 maart 2017 door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president en twee raadsheren het arrest hebben gewezen.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de wettelijke regels omtrent de maximale duur van de proeftijd bij voorwaardelijke gevangenisstraffen en corrigeert de fout van het hof in deze zaak.

Uitkomst: De proeftijd wordt vastgesteld op twee jaren in plaats van drie jaren bij een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden.

Uitspraak

7 maart 2017
Strafkamer
nr. S 15/03319
LBS/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2015, nummer 21/001858-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de proeftijd van drie jaren, tot het vaststellen van de proeftijd op twee jaren en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld.
3.2.
Het Hof heeft de verdachte veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van oplichting, medeplegen van witwassen en medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, begaan in de periode van 1 december 2010 tot en met 3 augustus 2011, telkens meermalen gepleegd. Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
"Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt."
3.3.
Blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven heeft het Hof een proeftijd van drie jaren vastgesteld wat betreft de naleving van de algemene voorwaarde. Het Hof heeft deze proeftijd ten onrechte aldus vastgesteld nu deze - gelet op het in deze zaak nog geldende art. 14b, tweede lid (oud), in verbinding met art. 14c, eerste lid (oud), Sr - ten hoogste twee jaren kon bedragen.
3.4.
Het middel is gegrond. De Hoge Raad zal deze misslag herstellen.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend ten aanzien van de vastgestelde proeftijd van drie jaren;
bepaalt de proeftijd op twee jaren;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 maart 2017.