Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake schuldheling van kleding en schoenen die in de echtelijke woning werden aangetroffen. Deze goederen waren afkomstig uit een inbraak in een tennisshop, mede gepleegd door de echtgenoot van verdachte. De kernvraag was of verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen opriep die relevant zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, veroorzaakt door late aanlevering van stukken door het hof.
Hoewel de Hoge Raad het middel gegrond verklaarde wegens overschrijding van de redelijke termijn, werd geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding gezien de lichte straf (taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis) en de mate van overschrijding. Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.