Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Procesgang
5 primair tenlastegelegd dat:
3.Beoordeling van het eerste middel
5.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die in eerste aanleg is veroordeeld voor oplichting en vrijgesproken van verduistering omtrent hetzelfde geldbedrag. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, waarbij onder 4B verduistering werd toegevoegd, ondanks dat tegen de vrijspraak van verduistering geen hoger beroep was ingesteld.
Het hof heeft de wijziging toegestaan en de verdachte veroordeeld voor verduistering in hoger beroep. De verdediging stelde dat dit in strijd was met het ne bis in idem-beginsel en dat de wijziging niet toelaatbaar was omdat het feit reeds onherroepelijk was beslist.
De Hoge Raad oordeelt dat de wijziging van de tenlastelegging in dit geval geen sprake is van 'andermaal vervolgen', maar van een voortzetting van de bestaande vervolging in hoger beroep. De juridische kwalificatie van het feit is gewijzigd, maar het feitencomplex blijft hetzelfde. De Hoge Raad bevestigt dat de wijziging toelaatbaar is en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de wijziging van de tenlastelegging en verwerpt het cassatieberoep.