ECLI:NL:HR:2017:3069

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
5 december 2017
Zaaknummer
15/05084
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat van betrokkene diende middelen van cassatie in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

Het eerste middel werd door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase wegens late aanlevering van stukken door het hof.

Hoewel de Hoge Raad het tweede middel gegrond verklaarde, leidde dit niet tot cassatie, mede omdat in een samenhangende strafzaak eveneens sprake was van termijnoverschrijding en compensatie in de hoofdzaak zou plaatsvinden. De Hoge Raad verbond geen rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding in deze zaak en verwierp het beroep.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 december 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

5 december 2017
Strafkamer
nr. S 15/05084 P
JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2015, nummer 20/000048-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 15/05107, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
3.3.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 december 2017.