Belanghebbende deed op 18 januari 2010 aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van punniksets, bestaande uit een houten punnikklos, punniknaald en bolletjes wol, en gaf deze aan onder post 9605 00 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). De douane hief daarop 3,7% douanerechten. Belanghebbende verzocht later terugbetaling en stelde dat de punniksets als 'andere houtwaren' onder post 4421 90 98 van de GN moesten worden ingedeeld, waarvoor geen douanerechten gelden.
De Inspecteur wees dit verzoek af en stelde dat de punniksets als 'ander speelgoed' onder post 9503 00 70 van de GN vielen, met een tarief van 4,7%. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat de punniksets niet als speelgoed konden worden aangemerkt, omdat punniken een handwerktechniek is die niet uitsluitend door kinderen wordt beoefend en het houten punnikklosje het wezenlijke karakter geeft. Daarom moeten de punniksets worden ingedeeld als andere houtwaren.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof het begrip speelgoed te beperkt had uitgelegd en dat punniken wel degelijk als spelen moest worden beschouwd. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof het begrip speelgoed onjuist had beperkt tot kinderen, maar dat het oordeel dat punniken geen spelen of vermaak is, een feitelijke beoordeling is die niet onbegrijpelijk is en niet kan worden bestreden in cassatie. Ook is voor de tariefindeling niet van belang dat de punniksets door een speelgoedfabrikant zijn vervaardigd of dat de verpakking een leeftijdswaarschuwing bevat.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het geding.