Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
28 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over oplichting en witwassen in een wijnbeleggingsmaatschappij. Verdachte werd ervan beschuldigd bijna 20 miljoen euro van beleggers te hebben verkregen met valse vooruitzichten. Een groot deel van het geld werd witgewassen door overboekingen naar buitenlandse ondernemingen.
De middelen van cassatie richtten zich onder meer op de kwalificatie van het witwassen, waarbij werd betoogd dat het bewezenverklaarde ‘omzetten’ en ‘gebruik maken’ niet wezenlijk verschilde van ‘voorhanden hebben en/of verwerven’, waardoor een uitsluitingsgrond van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest gerechtshof blijft in stand.