Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Het beroep werd ingesteld door de verdachte en ondersteund door zijn advocaten. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, naar 38 maanden met dezelfde voorwaarden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 10 oktober 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 40 naar 38 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.