Belanghebbende, een natuurlijke persoon die als ondernemer juridische werkzaamheden verricht, kocht in december 2011 baren zilver met het voornemen deze later te verkopen. Zij vroeg de teruggaaf van de omzetbelasting over deze aankoop aan, maar de Inspecteur wees dit af. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende geen recht had op teruggaaf omdat de aankoop niet als een duurzame economische activiteit kon worden aangemerkt en het enkele voornemen tot verkoop onvoldoende is voor ondernemerschap.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kostov (C-62/12) impliceert dat ook incidentele handelingen onder bezwarende titel als economische activiteit gelden, waardoor zij recht zou hebben op aftrek. De Hoge Raad verwierp dit betoog en stelde dat incidentele aankopen zonder duurzaam exploitatie- of opbrengstdoel niet kwalificeren als economische activiteit volgens de BTW-richtlijn.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de aankoop van zilver niet als een btw-belaste economische activiteit kan worden aangemerkt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.