Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2016, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Betrokkene voerde onder meer aan dat sprake was van schending van artikel 68 Sr Pro (ne bis in idem), omdat hij reeds een bestuurlijke sanctie had ondergaan voor hetzelfde strafbare feit.
Daarnaast klaagde betrokkene over het verzuim van het hof om het bedrag dat aan de uitkeringsinstantie (UWV) moest worden terugbetaald en het door het UWV opgelegde boetebedrag in mindering te brengen op de ontnemingsvordering. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81, eerste lid, RO en benadrukt dat klachten over ne bis in idem en verrekening van boetes niet slaagden in deze context van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.