Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor passieve omkoping van anderen dan ambtenaren en valsheid in geschrift. Verdachte, als lasthebber van de reclassering, zou geldbedragen hebben aangenomen van een taakgestrafte en urenlijsten valselijk hebben ingevuld om te controleren of taakstraffen werden uitgevoerd.
Het hof Den Haag had verdachte veroordeeld, waarbij het bewijs bestond uit getuigenverklaringen en camerabeelden. Verdachte stelde in cassatie diverse klachten in, waaronder over de betrouwbaarheid van getuigen, het gebruik van schakelbewijs, en de kwalificatie van geldbedragen als gift.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het hof het bewijs en de betrouwbaarheid van getuigen op een begrijpelijke wijze had beoordeeld. Het beroep werd verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, RO.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het hof.