Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een beklag tegen beslag op geldbedragen die in het kader van een strafzaak onder klager en zijn broers waren gelegd. Klager stelde dat de geldbedragen hem toebehoorden en had geen afstand gedaan van het beslag. De officier van justitie gaf echter een last tot teruggave van deze geldbedragen aan klager.
De Hoge Raad oordeelde dat met deze last tot teruggave het beslag ex artikel 134 Sv Pro is beëindigd, ongeacht of de geldbedragen feitelijk al waren teruggegeven. Dit leidde ertoe dat het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk was omdat het beslag feitelijk niet meer bestond.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de vraag of de termijnen van artikel 552a, derde en vierde lid, Sv ook gelden bij een hernieuwd beklag na inbeslagneming van voorwerpen. De Hoge Raad bevestigde dat deze termijnen ook in dat geval van toepassing zijn, mede gelet op de wetsgeschiedenis.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de afhandeling van het beklag tegen het beslag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep vanwege de last tot teruggave van het beslag.