Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte stuurde via WhatsApp een afbeelding van zijn ontblote stijve penis aan een 13-jarig meisje. Het hof verklaarde dit bewezen en kwalificeerde dit als het 'vertonen' van een schadelijke afbeelding aan een minderjarige in de zin van art. 240a Sr.
De verdachte stelde in cassatie dat virtueel chatcontact niet onder het bereik van art. 240a Sr valt. De Hoge Raad oordeelde dat het daadwerkelijke contact via programma's zoals WhatsApp wel degelijk onder dit artikel valt, omdat het doel van de wet is minderjarigen te beschermen tegen schadelijke beelden en de wil van de minderjarige daarbij niet relevant is.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de verdachte, het slachtoffer en getuigen, alsmede op proces-verbalen van politieonderzoek. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte stand bleef.
De zaak benadrukt dat het verstrekken of vertonen van schadelijke afbeeldingen via moderne communicatiemiddelen zoals WhatsApp strafbaar is onder art. 240a Sr, ook als het contact virtueel is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het vertonen van een schadelijke afbeelding via WhatsApp aan een minderjarige strafbaar is onder art. 240a Sr en verwerpt het cassatieberoep.