Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens mensenhandel. Tegen dit arrest stelde de verdachte beroep in cassatie bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen, waarvan de eerste drie niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof in de cassatiefase.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van achttien naar zeventien maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 17 oktober 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van achttien naar zeventien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.