Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
17 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag op 8 januari 2015 te Amsterdam. Hij stak het slachtoffer met een mes in de borst en buik met het opzet het leven van het slachtoffer te beroven.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij handelde uit noodweer, omdat hij door het slachtoffer werd aangevallen met onder meer een kopstoot en een lowkick. Ook stelde hij zich op het standpunt van noodweerexces. Het hof verwierp deze verweren omdat de gedragingen van het slachtoffer, zoals boos worden, vastpakken bij de jas en stemverheffing, geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vormden die een verdediging noopte. Het hof vond het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk en niet gesteund door het dossier, mede gelet op het ontbreken van letsel bij verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof niet onjuist of onbegrijpelijk had geoordeeld en dat de verwerping van het beroep op noodweer(exces) voldoende was gemotiveerd. Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen en de veroordeling voor poging tot doodslag bevestigd.