Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een ontnemingsvordering tot wederrechtelijk verkregen voordeel, voortvloeiend uit medeplegen van de verkoop van cocaïne, achter gesloten deuren moest worden behandeld omdat de betrokkene minderjarig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
De Hoge Raad overwoog dat de ontnemingsprocedure geen zelfstandige procedure is, maar een afgesplitste voortzetting van de strafvervolging. Op grond van artikel 495b, eerste lid, in verbinding met artikel 488, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt dat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt indien de verdachte bij het ten laste gelegde feit jonger dan achttien jaar was, ter bescherming van diens persoonlijke levenssfeer.
De Hoge Raad stelde vast dat deze regel ook van toepassing is op ontnemingsvorderingen als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Nu de betrokkene minderjarig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit, was het oordeel van het hof dat de zaak achter gesloten deuren moest worden behandeld niet onjuist.
Het beroep van de betrokkene werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ontnemingsvordering achter gesloten deuren moet worden behandeld omdat de betrokkene minderjarig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit.