Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte geboren in 1996 tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2015 in een strafzaak over opiumwetdelicten.
De advocaat van de verdachte heeft namens hem een schriftuur ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom heeft de Hoge Raad, na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest uitgesproken op 10 oktober 2017.
De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard.