ECLI:NL:HR:2017:2550

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2017
Publicatiedatum
5 oktober 2017
Zaaknummer
17/02537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.16 lid 1 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbeperking voor werkruimte in woning geldt ook bij uitbreiding bestaande woning

Belanghebbende stelde in cassatie dat de aftrekbeperking van artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 niet van toepassing zou zijn indien een werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van een bestaande woning. Deze opvatting werd door de Hoge Raad verworpen, omdat noch de tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsartikel deze uitzondering ondersteunen.

Het geschil betrof de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2012, waarbij de aftrek voor kosten van werkruimte in de woning werd beperkt. Het Gerechtshof Den Haag had deze aanslag bevestigd in hoger beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van belanghebbende onvoldoende gronden boden voor cassatie en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de aftrekbeperking voor werkruimtekosten, ongeacht of de werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van de woning of binnen de bestaande woningruimte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aftrekbeperking voor werkruimte geldt ook bij uitbreiding van een bestaande woning.

Uitspraak

6 oktober 2017
nr. 17/02537
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 26 april 2017, nr. BK‑16/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/5445) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Aan de middelen 1 en 3 ligt mede ten grondslag de opvatting dat de in artikel 3.16, lid 1, van de Wet IB 2001 voorziene aftrekbeperking voor kosten en lasten die verband houden met een werkruimte niet geldt ingeval met het oog op het verwerven van inkomsten een werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van een bestaande woning. Deze opvatting vindt evenwel geen steun in de tekst van artikel 3.16, lid 1, van de Wet IB 2001 noch in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan. De middelen falen in zoverre.
2.2.
De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.