Belanghebbende maakte op 23 juli 2016 elektronisch bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat bezwaar per e-mail niet mogelijk was en verwees naar schriftelijke indiening. Belanghebbende diende vervolgens op 31 augustus 2016 schriftelijk bezwaar in. De heffingsambtenaar verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar vernietigde ambtshalve de naheffingsaanslag omdat de belasting was voldaan.
Belanghebbende ging in beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring, maar de Rechtbank bevestigde deze. Ook het verzet tegen deze uitspraak werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelt echter dat de heffingsambtenaar het bezwaar niet niet-ontvankelijk had mogen verklaren zonder belanghebbende een hersteltermijn te bieden om het verzuim te herstellen.
Omdat de naheffingsaanslag ambtshalve was vernietigd, is het belang van belanghebbende beperkt tot vergoeding van kosten. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en gelast voortzetting van het onderzoek. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het College en de heffingsambtenaar in proceskosten en vergoedt het griffierecht.