Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
3 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende een mishandelingszaak. De advocaat van verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld. De Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij onvoldoende belang had bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a RO en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee werd het cassatieberoep van de verdachte afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 3 oktober 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.