ECLI:NL:HR:2017:254

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
16/05065
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken volmacht

In deze zaak betrof het een cassatieberoep van X B.V. tegen uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch en de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over aanslagen vennootschapsbelasting, boetebeschikkingen en heffingsrente over de jaren 2008 en 2009.

De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld. De indiener van het beroep in cassatie werd verzocht binnen zes weken een bewijsstuk van volmacht te overleggen of een verklaring van instemming van de belanghebbende. Deze termijn werd niet gehaald, en een brief die na de termijn werd ingediend, werd buiten beschouwing gelaten.

Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het beroep in cassatie onbevoegd was ingesteld en verklaarde het niet-ontvankelijk. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig om de proceskosten aan de wederpartij toe te wijzen.

Het arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren van Kalmthout en van Hilten, en op 17 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een tijdig overgelegd bewijs van volmacht.

Uitspraak

17 februari 2017
Nr. 16/05065
Arrest
gewezen op de door
[A]te
[Q]ingestelde beroepen in cassatie tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 2 september 2016, nrs. 14/00944 en 14/00945, op het hoger beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 12/7464 en AWB 12/7465) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2008 en 2009 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De beroepen in cassatie zijn volgens de beroepschriften ingesteld namens [X] B.V. te [Z].
Bij aangetekende brief van 17 oktober 2016 heeft de griffier van de Hoge Raad de indiener van de beroepschriften in cassatie - onder andere - verzocht binnen zes weken na de dagtekening van die brief een bewijsstuk van de aan hem verstrekte volmacht tot het indienen van de beroepschriften in cassatie over te leggen, dan wel een verklaring van degene namens wie hij de beroepen in cassatie heeft ingesteld, dat deze daarmee instemt. De indiener van de beroepschriften in cassatie heeft van deze gelegenheid niet binnen de door de griffier gestelde termijn, die eindigde op 28 november 2016, gebruik gemaakt. De op 30 november 2016 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de beroepen in cassatie onbevoegdelijk zijn ingesteld, en zal de Hoge Raad om die reden de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.