ECLI:NL:HR:2017:2539

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2017
Publicatiedatum
3 oktober 2017
Zaaknummer
16/00449
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering jeugddetentie na overschrijding redelijke termijn bij roofoverval

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor een gekwalificeerde diefstal in de vorm van een roofoverval op een snackbar in Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie van 244 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen voor wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.

De Hoge Raad stelde vast dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 244 dagen naar 237 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafzaken, ook bij jeugdigen, en bevestigt dat overschrijding daarvan kan leiden tot strafvermindering zonder dat het cassatieberoep zelf slaagt.

Uitkomst: De opgelegde jeugddetentie wordt verminderd tot 237 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

3 oktober 2017
Strafkamer
nr. S 16/00449 J
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 december 2015, nummer 23/003905-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde jeugddetentie van 244 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
vermindert deze in die zin dat deze 237 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 oktober 2017.