ECLI:NL:HR:2017:2530

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2017
Publicatiedatum
3 oktober 2017
Zaaknummer
15/05319
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie inzake profijtontneming

Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene geen middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn ingediend bij de Hoge Raad, hetgeen een vereiste is volgens artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De raadsman van betrokkene reageerde schriftelijk op deze conclusie, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van tijdige indiening van middelen van cassatie betekent dat betrokkene niet kan worden ontvangen in het beroep. Daarom verklaarde de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 3 oktober 2017.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Uitspraak

3 oktober 2017
Strafkamer
nr. S 15/05319 P
IV/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 10 november 2015, nummer 21/004017-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 oktober 2017.