ECLI:NL:HR:2017:2498

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
15/05456
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 94a SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake beslag op geldbedrag in ontnemingszaak

Klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende beslag op een geldbedrag van € 105.000,- dat onder haar zoon was gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen die zoon.

De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klaagster als derde niet-beslagene niet als eigenaresse van het geldbedrag kan worden aangemerkt, geen onjuiste rechtsopvatting bevat en niet onbegrijpelijk is.

De advocaat-generaal concludeerde dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat klaagster onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden, waarna het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 26 september 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

26 september 2017
Strafkamer
nr. S 15/05456 B
SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 9 november 2015, nummer AVNR 1392-15, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], geboren op [geboortedatum] 1936.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 september 2017.