ECLI:NL:HR:2017:2454

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2017
Publicatiedatum
22 september 2017
Zaaknummer
16/03736
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:248 BWArt. 6:258 BW
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak lening werkgever aan werknemer

In deze zaak vordert eiseres, een werkgever, de terugbetaling van een lening die zij aan haar werknemer had verstrekt. De leningsovereenkomst bevatte afspraken over aflossing door onbetaald overwerk en winstbonusuitkering. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst ontstond discussie over de terugbetaling van de lening.

De rechtbank Amsterdam wees de vorderingen deels toe, maar het gerechtshof Amsterdam gaf in het arrest van 19 april 2016 een nadere uitleg van de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar mochten verwachten. Eiseres stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiseres niet leiden tot cassatie, mede omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het beroep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak bevestigt dat de uitleg van leningsovereenkomsten tussen werkgever en werknemer en de toepassing van redelijkheid en billijkheid in arbeidsrechtelijke context zorgvuldig moet gebeuren, waarbij ook bijzondere afspraken zoals aflossing via overwerk en winstuitkering in aanmerking worden genomen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

22 september 2017
Eerste Kamer
16/03736
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/13/563084/HA ZA 14-390 van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2015 en 20 mei 2015;
b. het arrest in de zaak 200.176.661/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 april 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 7 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 396,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
22 september 2017.