Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
12 september 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden.
De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Desondanks leidde deze overschrijding niet tot een rechtsgevolg in deze zaak, mede omdat in een samenhangende strafzaak compensatie zou worden toegepast.
De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 12 september 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.