ECLI:NL:HR:2017:191

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2017
Publicatiedatum
9 februari 2017
Zaaknummer
15/04878
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen uitspraak Gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake naheffingsaanslag omzetbelasting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 10 februari 2017 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het beroep in cassatie was gericht tegen de uitspraak van het Hof van 11 september 2015, waarin het Hof een eerdere uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant had bevestigd. De Rechtbank had in die uitspraak een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd aan de belanghebbende, een vennootschap onder firma, voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep gegrond verklaard op basis van de gronden die zijn vermeld in een eerder arrest (15/04877) tussen dezelfde partijen. De Hoge Raad oordeelde dat de uitspraak van het Hof niet in stand kon blijven en dat de Hoge Raad de zaak zelf kon afdoen. Dit leidde tot de vernietiging van de uitspraak van het Hof en de bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

De Hoge Raad heeft geen termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten, wat betekent dat de kosten van de procedure niet aan de andere partij worden opgelegd. Deze uitspraak is gedaan door de vice-president en vier raadsheren, en is openbaar uitgesproken op de genoemde datum.

Uitspraak

10 februari 2017
Nr. 15/04878
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof’s-Hertogenboschvan 11 september 2015, nr. 14/00331, op het hoger beroep van
[X] v.o.f.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/2689) betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04877 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
2.2.
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.