Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak betreffende fraude met kinderopvangtoeslag heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2015. De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelt dat de eerste drie middelen geen cassatiegrond opleveren en dat geen nadere motivering nodig is. Het vierde middel klaagt terecht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.
Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, naar elf maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met dezelfde proeftijd. De rest van het beroep wordt verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.