ECLI:NL:HR:2017:1605

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
8 augustus 2017
Zaaknummer
15/03420
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80, letter a, onder 1o Wet belastingen op milieugrondslagArt. 80, letter a, onder 4o Wet belastingen op milieugrondslagArt. 32, lid 3 Uitvoeringsregeling belasting op milieugrondslag
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verpakkingenbelasting op kitgevulde kokers en worsten in het licht van het gelijkheidsbeginsel

In deze zaak stond de vraag centraal of de met afdichtingskit gevulde kokers en worsten onder de verpakkingenbelasting vallen. Belanghebbende was het niet eens met een naheffingsaanslag over het jaar 2008 en ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat op deze producten geen verpakkingenbelasting geheven mocht worden op grond van het gelijkheidsbeginsel. De beperking van de uitzondering in artikel 80, letter a, onder 4o van de Wet belastingen op milieugrondslag tot de producten genoemd in artikel 32, lid 3 van de uitvoeringsregeling is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook is de uitzondering in artikel 80, letter a, onder 1o niet van toepassing omdat de kit niet dezelfde levensduur heeft als de kokers en worsten.

De Hoge Raad bevestigde dat de delegatiebepaling niet strijdig is met enige in Nederland bindende verdragsbepalingen. Het beroep in cassatie werd gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

11 augustus 2017
nr. 15/03420
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s‑Hertogenboschvan 12 juni 2015, nr. 13/00768, op het hoger beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 11/1753) betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de verpakkingenbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 15 november 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1177).
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel I, dat zich richt tegen het oordeel van het Hof dat van de met kit gevulde kokers en worsten op grond van het gelijkheidsbeginsel geen verpakkingenbelasting mag worden geheven, slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/03419 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Middel II behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.3.
De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd op de gronden die zijn vermeld in het hiervoor in 2.1 bedoelde arrest van de Hoge Raad.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.