ECLI:NL:HR:2017:1352

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2017
Publicatiedatum
13 juli 2017
Zaaknummer
16/04112
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:204 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering schadevergoeding wegens verstopping standleiding door derden

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van verhuurder Stichting Woonplus Schiedam wegens verstopping van de standleiding, veroorzaakt door oneigenlijk gebruik van de afvoer door andere huurders. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro en dat er sprake is van een feitelijke stoornis door derden.

De rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag hebben de vordering van eiser afgewezen. Het hof oordeelde dat de verstopping niet aan verhuurder kan worden toegerekend en dat er geen sprake is van een gebrek dat verhuurder moet herstellen.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwerpt dit beroep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat verhuurder niet aansprakelijk is voor de schade door de verstopping veroorzaakt door derden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding wegens verstopping wordt afgewezen.

Uitspraak

14 juli 2017
Eerste Kamer
16/04112
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
STICHTING WOONPLUS SCHIEDAM,
gevestigd te Schiedam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.D. Boesveld.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Woonplus.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 1386684 CV EXPL 12-49767 van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2013;
b. de arresten in de zaak 200.136.993/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 december 2013 en 15 maart 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 15 maart 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de herstelexploten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Woonplus heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor Woonplus toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 juni 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Woonplus begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 juli 2017.