Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot doodslag en andere strafbare feiten tot een gevangenisstraf van zes jaren. Hij voerde in cassatie aan dat hij als ongewenste vreemdeling niet in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-regeling) en daardoor onevenredig zwaar wordt gestraft. Het hof verwierp dit verweer op grond van de geldende regelgeving, waaronder artikel 15, derde lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting.
De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat het hof terecht geen aanleiding zag om een lagere straf op te leggen. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, waardoor de straf werd verminderd tot vijf jaren en negen maanden gevangenisstraf.
De uitspraak bevat een uitgebreide toelichting op de wettelijke regeling die vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf uitsluit van voorwaardelijke invrijheidstelling, maar wel de mogelijkheid biedt tot strafonderbreking onder voorwaarden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af.
Uitkomst: De gevangenisstraf is vastgesteld op vijf jaren en negen maanden na vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.