Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte verweten in juli 2013 in een pand te Dronten vijftig hennepplanten te hebben geteeld. De bewezenverklaring steunde op een uitgebreid proces-verbaal van bevindingen, waarin opsporingsambtenaren de inrichting van een hennepplantage met onder meer bewateringsbuizen, lampen, koolstoffilters en stekbakken beschreven. Verdachte erkende de kwekerij te hebben ingericht en de planten te hebben verzorgd.
De verdediging voerde aan dat het begrip 'telen' in art. 3.B Opiumwet alleen van toepassing zou zijn indien het gehele productieproces van groei tot verkoop en aflevering van het eindproduct was voltooid. Volgens hen was dit niet het geval, zodat vrijspraak moest volgen.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat de opvatting dat 'telen' slechts strafbaar is indien het volledige productieproces is voltooid onjuist is. Het enkele feit dat verdachte hennepplanten heeft gekweekt en verzorgd, is voldoende voor strafbaarheid onder art. 3.B Opiumwet.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd bekrachtigd. De uitspraak bevestigt de reikwijdte van het begrip 'telen' in de Opiumwet en onderstreept dat strafbaarheid niet afhankelijk is van voltooiing van het gehele productieproces.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafbaarheid van het telen van hennepplanten wordt bevestigd.