Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
Op 11 maart 2014 vond een gewapende woningoverval plaats op twee hoogbejaarde broers in Wijhe. Verdachte werd samen met een medeverdachte beschuldigd van diefstal met geweld en zware mishandeling. Het hof had verdachte veroordeeld op basis van diverse sporen, waaronder DNA-sporen op handschoenen en schoenen die in verband werden gebracht met de overval.
De verdediging voerde aan dat het DNA-bewijs onvoldoende was om aan te tonen dat verdachte daadwerkelijk in de woning was geweest en betrokken was bij de overval. Het hof baseerde zijn oordeel mede op verklaringen, forensisch onderzoek en telefoongegevens.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat er een verband bestaat tussen de sporen op de twee verschillende handschoenen. Hierdoor was het oordeel van het hof dat verdachte samen met een ander de feiten had gepleegd niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige klachten van verdachte werden verworpen. Het arrest werd vastgesteld op 27 juni 2017 en uitgesproken op 4 juli 2017.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.