Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en het doen van onjuiste belastingaangiften met betrekking tot valse facturen die werden gebruikt om het systeem van heffing van omzetbelasting te misbruiken.
In cassatie werden diverse middelen aangevoerd, waaronder bewijsklachten over de onjuistheid van de facturen en het opzet bij valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en verminderde de gevangenisstraf van elf maanden en twee weken naar tien maanden en één week. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van elf maanden en twee weken naar tien maanden en één week wegens overschrijding van de redelijke termijn.