Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
31 januari 2017.
Hoge Raad
De aanvrager is veroordeeld voor een snelheidsovertreding begaan op 3 december 2014 te Alphen aan den Rijn. Hij verzocht om herziening van het vonnis op grond van nieuwe feiten die zouden aantonen dat niet hij, maar een ander de overtreding beging.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv, dat vereist dat het nieuwe feit niet bekend was bij de rechter en dat het ernstige twijfel aan de schuld van de veroordeelde moet wekken. De aanvrager overlegde schriftelijke verklaringen en correspondentie waarin hij stelde dat een ander de bestuurder was.
Echter, de Hoge Raad constateerde dat deze feiten en verklaringen reeds bekend waren bij de kantonrechter, zoals blijkt uit het dossier en eerdere correspondentie met het CJIB en het Openbaar Ministerie. Hierdoor kon niet worden gesproken van een nieuw feit dat tot herziening zou kunnen leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond en wees het af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat de aangevoerde feiten reeds bekend waren bij de kantonrechter.