Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of op grond van artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan een natuurlijke persoon die feitelijke leiding heeft gegeven aan strafbare feiten gepleegd door een rechtspersoon. De betrokkene was door het hof veroordeeld voor feitelijke leiding aan valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften door een rechtspersoon.
Het hof had geoordeeld dat artikel 74 Awr Pro toepassing vindt en daarom geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de betrokkene, omdat deze strafbare feiten bij de belastingwet zijn gesteld. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en het cassatieberoep verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat artikel 74 Awr Pro expliciet bepaalt dat artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de grondslag vormt voor ontnemingsmaatregelen, niet van toepassing is op strafbare feiten bij de belastingwet. Dit betekent dat ook natuurlijke personen die feitelijke leiding geven aan door rechtspersonen gepleegde belastingdelicten geen ontnemingsmaatregel kunnen worden opgelegd.
De conclusie is dat de wetgever met artikel 74 Awr Pro een duidelijke beperking heeft gesteld aan het opleggen van ontnemingsmaatregelen in belastingzaken, ongeacht de rol van de natuurlijke persoon binnen de rechtspersoon. Het beroep van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep is gevolgd en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan natuurlijke personen die feitelijke leiding gaven aan belastingdelicten gepleegd door rechtspersonen.