ECLI:NL:HR:2017:1229

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2017
Publicatiedatum
5 juli 2017
Zaaknummer
16/00199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 74 AwrArt. 36e SrArt. 69 Awr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking ontnemingsmaatregel bij belastingwet strafbare feiten volgens art. 74 Awr

In deze zaak stond de vraag centraal of op grond van artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan een natuurlijke persoon die feitelijke leiding heeft gegeven aan strafbare feiten gepleegd door een rechtspersoon. De betrokkene was door het hof veroordeeld voor feitelijke leiding aan valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften door een rechtspersoon.

Het hof had geoordeeld dat artikel 74 Awr Pro toepassing vindt en daarom geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de betrokkene, omdat deze strafbare feiten bij de belastingwet zijn gesteld. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en het cassatieberoep verworpen.

De Hoge Raad benadrukte dat artikel 74 Awr Pro expliciet bepaalt dat artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de grondslag vormt voor ontnemingsmaatregelen, niet van toepassing is op strafbare feiten bij de belastingwet. Dit betekent dat ook natuurlijke personen die feitelijke leiding geven aan door rechtspersonen gepleegde belastingdelicten geen ontnemingsmaatregel kunnen worden opgelegd.

De conclusie is dat de wetgever met artikel 74 Awr Pro een duidelijke beperking heeft gesteld aan het opleggen van ontnemingsmaatregelen in belastingzaken, ongeacht de rol van de natuurlijke persoon binnen de rechtspersoon. Het beroep van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep is gevolgd en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan natuurlijke personen die feitelijke leiding gaven aan belastingdelicten gepleegd door rechtspersonen.

Uitspraak

4 juli 2017
Strafkamer
nr. S 16/00199 P
CeH/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2014, nummer 21/005506-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat
art. 74 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) eraan in de weg staat dat aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd.
2.2.
Het bestreden arrest houdt in, voor zover van belang:
"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 11 november 2014 (parketnummer 21-004908-13) ter zake van
- feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en
- feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (artikel 69 Awr Pro).
In artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat er geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Dat betekent dat met betrekking tot eventueel financieel voordeel dat de veroordeelde zou hebben genoten door het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, het hof geen ontnemingsmaatregel zal opleggen.
(...)
Het voorgaande betekent dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden afgewezen."
2.3.
Art. 74 Awr Pro luidt:
"Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing."
2.4.
Het middel berust op de opvatting dat art. 74 Awr Pro niet uitsluit dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd aan de natuurlijke persoon die aan door een rechtspersoon gepleegde, bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten feitelijke leiding heeft gegeven en uit die feiten, al of niet naast de rechtspersoon, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Die opvatting is onjuist.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-presiden W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juli 2017.