Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verklaring van een getuige, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek, als bewijs mocht worden gebruikt terwijl de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen. De verdediging zag af van het horen van de getuige uit piëteit en vanwege bezorgdheid over haar welzijn, ondanks dat het hof aanvankelijk had besloten haar als getuige te horen onder voorwaarden.
De Hoge Raad overwoog dat het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van getuigen volgens art. 6 EVRM Pro vereist dat de verdediging het nodige initiatief neemt om getuigen te laten horen. Indien de verdediging afstand doet van dit recht, staat dit het gebruik van de verklaring niet in de weg. In deze zaak was dat het geval, mede doordat de verdediging niet om compensatie vroeg voor het ontbreken van de ondervraging.
Het hof had bovendien vastgesteld dat de verklaring van de getuige voldoende steun vond in andere bewijsmiddelen, zoals sms-berichten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onjuist of onbegrijpelijk had geoordeeld dat de verklaring als bewijs kon dienen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verklaring van de getuige als bewijs mag worden gebruikt ondanks het ontbreken van ondervraging door de verdediging.