Uitspraak
gevestigd te Tirana, Albanië,
gevestigd te Rome, Italië,
gevestigd te Milaan, Italië,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of en onder welke voorwaarden een bankgarantie moet worden gesteld bij de opheffing van conservatoire beslagen die zijn gelegd op basis van een Albanees vonnis. ABA, de eiseres in cassatie, had tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. Het geschil betrof onder meer de vraag of een verplichting tot het stellen van een contragarantie bestaat en hoe dit zich verhoudt tot het stelsel van de Brussel I-Verordening.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de voorzieningenrechter en het arrest van het gerechtshof, waarin de voorwaarden voor het stellen van een bankgarantie bij opheffing van beslag waren vastgesteld. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop ABA had gereageerd.
Uiteindelijk oordeelt de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep wordt verworpen en ABA wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van ABA wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.