ECLI:NL:HR:2017:1053

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2017
Publicatiedatum
8 juni 2017
Zaaknummer
16/00582
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest over onrechtmatige daad bij leeghalen vennootschap en verlies verhaalsmogelijkheden

In deze civiele zaak stond centraal of Rixtel onrechtmatig had gehandeld door na de aandelentransactie de vennootschap De Provinciale leeg te halen door verkoop van activa zonder betaling, waardoor verhaal voor schuldeisers onmogelijk werd. Hofstad c.s. vorderden betaling van een bedrag wegens deze onrechtmatige daad.

De rechtbank had de vordering deels toegewezen, maar het hof wees deze af met het oordeel dat het causaal verband tussen het handelen van Rixtel en het niet kunnen innen van de vordering onvoldoende was gemotiveerd. Het hof had zich beperkt tot de vraag of De Provinciale zonder de transactie voldoende winst had kunnen maken om de schuld te voldoen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door niet mee te wegen dat door de transactie verhaalsmogelijkheden verloren waren gegaan. De schade moest worden vastgesteld door vergelijking van de werkelijke situatie met een hypothetische situatie zonder de onrechtmatige gedraging, inclusief de mogelijkheid van verhaal op de assurantieportefeuille of koopprijs.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof Amsterdam. Tevens verklaarde de Hoge Raad Hofstad c.s. niet-ontvankelijk in het beroep tegen Zürich en veroordeelde Rixtel in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende motivering van causaal verband en verwijst zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

9 juni 2017
Eerste Kamer
16/00582
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. HOFSTAD BEHEER B.V.,
gevestigd te Leerdam,
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed,
t e g e n
1. ZÜRICH LEBENSVERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT AG,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
2. RIXTEL ASSURADEUREN B.V.,
gevestigd te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Verzoekers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Hofstad c.s., en Hofstad Beheer individueel als Hofstad, en verweersters afzonderlijk als Zürich en Rixtel en gezamenlijk als Zürich c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 58264/HA ZA 96-1851 van de rechtbank Den Haag van 16 september 1998, 25 augustus 1999, 28 mei 2008, 15 juli 2009, 9 juni 2010 en 26 januari 2011;
b. de arresten in de zaak 200.085.177/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 oktober 2011, 20 november 2012, 26 november 2013 en 13 oktober 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 20 november 2012, 26 november 2013 en 13 oktober 2015 hebben Hofstad c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Zürich c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor Hofstad c.s. toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot:
  • niet-ontvankelijkverklaring van Hofstad c.s. in hun cassatieberoep voor zover het is ingesteld tegen Zürich;
  • vernietiging en verwijzing voor zover het cassatieberoep zich richt tegen het in reconventie gewezen arrest van 13 oktober 2015.
De advocaat van Hofstad c.s. heeft bij brief van 17 februari 2017 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen Zürich

Hofstad c.s. zijn in het tegen Zürich gerichte beroep niet-ontvankelijk, nu het middel alleen klachten bevat die zich richten tegen het oordeel van het hof in zijn eindarrest omtrent de vordering van Hofstad c.s. op Rixtel.

4.Beoordeling van het middel

4.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij notariële akte van 5 januari 1995 heeft Hofstad de aandelen in de vennootschap Algemeen Verzekeringsbedrijf “De Provinciale” B.V. (hierna: De Provinciale) overgedragen aan Rixtel.
(ii) Rixtel heeft, eveneens op 5 januari 1995, de assurantieportefeuille van De Provinciale gekocht en geleverd gekregen. Rixtel heeft de koopprijs niet betaald.
4.2.1
Voor zover in cassatie van belang hebben Hofstad c.s. in deze procedure gevorderd dat Rixtel zal worden veroordeeld tot betaling van fl. 520.019,--. Hofstad c.s. hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat Rixtel onrechtmatig heeft gehandeld door na de aandelentransactie De Provinciale leeg te halen met achterlating van schulden, waardoor De Provinciale failliet is verklaard en een vordering uit rekening-courant van Hofstad c.s. op De Provinciale oninbaar is geworden. De rechtbank heeft de vordering van Hofstad c.s. tegen Rixtel tot een bedrag van ƒ 300.000,-- toegewezen.
4.2.2
Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof de vordering van Hofstad c.s. afgewezen. Het hof heeft eerst (in rov. 32 van zijn eindarrest) overwogen dat Rixtel onrechtmatig heeft gehandeld door alle activa van De Provinciale te verkopen, met achterlating van alle passiva en zonder dat de koopprijs voor de activa werd betaald. Vervolgens heeft het hof in zijn eindarrest als volgt overwogen:
“40. Het hof concludeert dat De Provinciale in 1993 een fors verlies heeft geleden, dat de solvabiliteit sterk is verslechterd en dat het eigen vermogen sterk is gedaald. Zonder een ingrijpende reorganisatie en forse reductie van de kosten zou De Provinciale nog verder in de rode cijfers komen, met mogelijk een faillissement in het verschiet. Het had op de weg van Hofstad c.s. gelegen om gemotiveerd en onderbouwd te stellen waarom desondanks mag worden aangenomen dat De Provinciale, de activatransactie van Rixtel weggedacht, in staat zou zijn geweest om de rekening-courant schuld aan Hofstad af te lossen. Hofstad c.s. hebben dit niet gedaan. Het hof concludeert dan ook dat zij het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen door Rixtel en het niet kunnen innen van de vordering in rekening-courant door Hofstad onvoldoende hebben gemotiveerd en onderbouwd.
41. Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel komt dat er geen causaal verband is tussen het onrechtmatig handelen door Rixtel en het niet kunnen innen van de vordering in rekening-courant door Hofstad. […]”
4.3.1
Onderdeel 1a voert aan dat het hof zich bij de beoordeling van het causaal verband tussen de gedragingen van Rixtel en de schade van Hofstad c.s. niet mocht beperken tot de vraag of De Provinciale, de activatransactie weggedacht, voldoende winst zou hebben gegenereerd om de vordering van Hofstad c.s. te voldoen. Volgens het onderdeel mocht het hof niet buiten beschouwing laten dat verhaalsmogelijkheden voor Hofstad c.s. verloren zijn gegaan door de verkoop van de assurantieportefeuille en het schuldig blijven van de koopprijs daarvan. Onderdeel 1b voegt daaraan toe dat, voor zover het hof niet heeft miskend dat het verlies aan verhaalsmogelijkheden in de beoordeling moest worden betrokken, zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat het niet heeft gemotiveerd waarom het dan toch geen rekening heeft gehouden met het door de transactie verloren gaan van de mogelijkheid van verhaal op de assurantieportefeuille.
4.3.2
Deze klachten zijn gegrond. Het door het hof in rov. 32 vastgestelde onrechtmatig handelen van Rixtel bestaat in het ‘leeghalen’ van De Provinciale, in het bijzonder door het zich laten overdragen van haar assurantieportefeuille zonder betaling van de koopprijs. Het bestaan en de omvang van de schade dient dan te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de werkelijke situatie na de overdracht van de assurantieportefeuille onder het schuldig blijven van de koopprijs daarvan enerzijds en de hypothetische situatie waarin deze onrechtmatige gedraging achterwege zou zijn gebleven anderzijds. Voor de beoordeling van de hypothetische situatie is niet alleen van belang of De Provinciale in die situatie voldoende winst had kunnen genereren om de vordering van Hofstad c.s. te voldoen maar ook, in het geval De Provinciale daartoe niet in staat zou zijn geweest, in hoeverre Hofstad c.s. verhaal zouden hebben kunnen nemen op de assurantieportefeuille, of, indien de koopsom daarvan wel zou zijn voldaan, op die koopsom. Doordat het hof deze verhaalsmogelijkheid niet in zijn beoordeling heeft betrokken, is het ofwel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel heeft het zijn oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd.
4.3.3
Voor zover onderdeel 1c voortbouwt op de hiervoor gegrond bevonden klachten, slaagt het eveneens. Voor het overige behoeft het geen behandeling.
4.4
Onderdeel VI (lees: IV) behoeft evenmin afzonderlijke behandeling.
4.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart Hofstad c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep tegen Zürich;
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2015;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Rixtel in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Hofstad c.s. begroot op € 6.682,72 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
9 juni 2017.