Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 juni 2017.
Hoge Raad
Na de echtscheiding tussen de biologische moeder en de adoptief-moeder bepaalde het hof dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de adoptief-moeder zou zijn. Het hof baseerde dit onder meer op de veronderstelling dat het kind al meer dan twee jaar bij de adoptief-moeder verbleef en dat zij meer beschikbaar was vanwege haar parttime werk.
De biologische moeder stelde cassatie in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat het kind al meer dan twee jaar bij de adoptief-moeder woonde, omdat de stukken dit niet ondersteunden en ook de adoptief-moeder dit erkende als een vergissing.
Daarnaast had het hof onvoldoende rekening gehouden met de essentiële stelling van de biologische moeder dat zij bereid was haar werktijden aan te passen om voor het kind te zorgen. Het hof had deze stelling niet betrokken in zijn beoordeling, terwijl het oordeel juist gebaseerd was op beschikbaarheid.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing, waarmee het belang van het kind centraal moet staan en alle relevante feiten en stellingen zorgvuldig moeten worden meegewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar een ander gerechtshof.