Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 juni 2017.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn er geen middelen van cassatie ingediend door een raadsman binnen de wettelijke termijn, zoals vereist volgens art. 437 lid 2 in Pro verbinding met art. 511h Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 6 juni 2017, waarbij de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Splinter-van Kan en Buruma het arrest hebben gewezen. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de uitspraak van het hof ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.