ECLI:NL:HR:2017:1022

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
16/00584
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 13.1 WWM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep medeplichtigheid voorbereiding moord

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van de voorbereiding van moord. Het hof had geoordeeld dat de verdachte foto’s van het beoogde slachtoffer had verstrekt en een vuurwapen voorhanden had, wat strafbaar is gesteld in art. 13.1 WWM.

De verdediging voerde onder meer aan dat de foto’s onvoldoende duidelijk waren en stelde een beroep op psychische overmacht. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Tevens ontbrak een schriftelijk standpunt van de Advocaat-Generaal, maar dit was niet doorslaggevend.

Op grond van art. 80a RO en na overleg met de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand en wordt het beroep van de verdachte afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest in stand blijft.

Uitspraak

6 juni 2017
Strafkamer
nr. S 16/00584
SA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2016, nummer 23/001205-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 juni 2017.