Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een veroordeelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland die het verzoek van Duitsland tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing behandelde. De veroordeelde voerde onder meer aan dat de Duitse veroordeling in strijd was met artikel 6 EVRM Pro omdat onrechtmatig verkregen bewijs was gebruikt.
De Hoge Raad overweegt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarmee wordt het strafmatigingsverweer en het verweer tegen het verlenen van verlof verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 24 mei 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de weigering van verlof tot overname van de Duitse veroordeling.