ECLI:NL:HR:2016:94

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
15/02130
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:112 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2007

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2015, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 werd behandeld.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende en concludeerde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die relevant zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het voorwaardelijk incidentele beroep van de Staatssecretaris van Financiën verviel omdat het principale beroep niet tot vernietiging van het hofarrest leidde. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en raadsheren Van Loon en Van Kalmthout op 22 januari 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

22 januari 2016
Nr. 15/02130
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 27 maart 2015, nr. 13/00909, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/5432) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.

2.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde klacht

Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt het incidentele beroep derhalve.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.