Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 november 2014 in een strafzaak. Het geschil betrof onder meer de afwijzing van het verzoek om een medeverdachte die in het buitenland gedetineerd is als getuige te horen.
Namens de verdachte heeft advocaat H.M.W. Daamen middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen.
Daarom wordt het beroep verworpen. Het arrest is gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma op 19 april 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest Hof Den Haag blijft in stand.