Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1963, stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was.
De verdachte verbleef in voorlopige hechtenis en de Hoge Raad constateerde dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar naar vier jaar en elf maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 19 april 2016 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd ambtshalve verminderd van vijf jaar naar vier jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.